Het begrip landschap omvat de combinatie van zichtbare elementen op het aardoppervlak, waaronder zowel de natuurlijke omgeving (zoals reliëf, water, bodem, klimaat, planten en dieren) als door de mens gemaakte elementen (zoals gebouwen, wegen en landbouw). Het landschap is dus het samenspel van levenloze en levende natuur en menselijke activiteiten in een gebied.
Een areaal of verspreidingsgebied is een gebied waar een bepaald verschijnsel voorkomt. Dit kan tuinbouw zijn (tuinbouwareaal) of winkels (winkelareaal). In de biogeografie is de term areaal meer specifiek en duidt dit op het gebied waarin een bepaalde soort is gevestigd.
Bron Wikipedia
Een vaste plant of overblijvend kruid is een kruidachtige (niet-houtige), overblijvende zaadplant, die meer dan eenmaal tijdens zijn levensduur kan bloeien én langer dan twee jaar leeft. Sommige vaste planten bloeien pas na jaren voor het eerst. Planten die jaar na jaar bloeien en zaad vormen heten polycarpisch. Voorbeelden daarvan zijn riet, witte waterlelie en witte klaver.
Er zijn vaste planten die bovengronds afsterven, maar door het reservevoedsel uit de bol (bolgewas), knol (knolgewas), wortelstok of vlezige wortel in het volgende voorjaar weer uitlopen. We onderscheiden geofyten, die overwinteren op ondergrondse bollen of knollen en hemicryptofyten die ondergrondse knoppen ontwikkelen.
Daarnaast zijn er vele vaste planten die bovengronds niet afsterven, zoals vele grassen waaronder Engels raaigras.
Moeras- en waterplanten zijn ook dikwijls vaste planten, zij overwinteren met knoppen onder het wateroppervlak (helofyten en hydrofyten).
Onder de overblijvende planten vallen naast deze kruidachtige, vaste planten ook de houtige planten: de bomen, struiken, halfheesters en lianen.
Planten die na de bloei sterven (eenjarige planten, tweejarige planten en meerjarige planten) heten monocarpisch.
Verpopping is een bij veel insecten voorkomend proces waarbij de larve zich transformeert tot een volwassen insect (imago). Insecten met een dergelijke ontwikkeling kennen een volledige gedaanteverwisseling.
Dit proces vindt plaats via een apart stadium waarin de larve na de laatste vervelling een ander uiterlijk krijgt. Gedurende deze periode neemt de larve in zijn pop geen voedsel op. Uitwendig lijkt de pop in rust te verkeren terwijl intussen van binnen de larvale organen worden afgebroken en worden omgebouwd tot de organen die het volwassen insect nodig zal hebben. Veel poppen zien eruit als een rond tonnetje zonder poten, ogen, mond, anus, vleugels of antennen; bij kever- en vlinderpoppen zijn vaak al wel de vormen van het zich vormende imago herkenbaar. De meeste poppen bewegen zich niet, maar kunnen bij aanraking wel wriemelende bewegingen maken als verdediging.

Poppen zijn weerloos en kwetsbaar, en daarom meestal goed gecamoufleerd, bijvoorbeeld vlinderpoppen als verdroogde blaadjes; veel insecten spinnen ook cocons (bij de bekende zijdevlinder wordt hiervan zijde gewonnen) of maken schuilplaatsen door bijvoorbeeld een paar blaadjes tegen elkaar te spinnen tot een holte waarin ze zich verpoppen. De geharde huid van de insectenlarve noemt men het puparium. Deze beschermt de larve wanneer de metamorfose naar het volwassen stadium plaatsvindt.
Deze video van Ton Vranken laat zien hoe de rups van een Koninginnenpage verandert in een vlinder.
Het urntje of perigynium komt voor bij zegges (Carex) en is een ongeveer flesvormig schutblaadje dat de vrouwelijke bloem met alleen een stamper, en later bij rijpheid de vrucht grotendeels omsluit. Een urntje staat in de oksel van een kafje. Een kafje is een vliezig tot groen en vlezig schubje aan de bloeistengel onder de aanhechting van een bloem.
Informatie
© 2020-2026 Mooi Gaasterland
De inhoud van deze website is beschermd door de Auteurswet. Ongeoorloofd gebruik van de inhoud is strafbaar.
Zie ook de Disclaimer
Wie is online
We hebben 934 gasten en geen leden online