Van productiebos naar een gezond, gevarieerd en toekomstbestendig bos
Wie regelmatig door de bossen van Gaasterland wandelt, heeft het vast weleens gezien: bomen met gekleurde stippen op de stam, diepe bandensporen op bospaden, stapels boomstammen en takken die op de bosbodem blijven liggen. Soms ontstaan er flinke open plekken waar eerder nog hoge bomen stonden.
Niet iedereen is daar blij mee. Vooral het kappen van gezonde bomen roept regelmatig vragen en weerstand op. Waarom moeten die bomen verdwijnen? Is het niet beter om de natuur gewoon haar gang te laten gaan?
Toch kan bomenkap een belangrijk onderdeel zijn van verantwoord bosbeheer. Staatsbosbeheer werkt bijvoorbeeld aan bossen die niet alleen vandaag gezond zijn, maar ook over tientallen jaren nog een rijke en gevarieerde natuur herbergen.

Daarbij draait het om drie belangrijke uitgangspunten: biodiversiteit, een gezond bosecosysteem en duurzaam gebruik van hout.
1. Van productiebos naar een natuurlijker bos
Veel Nederlandse bossen zijn oorspronkelijk aangelegd voor de productie van hout. Ook in Gaasterland werden vooral in de negentiende en twintigste eeuw grote oppervlakten bos aangeplant. Daarbij koos men vaak voor boomsoorten die snel groeiden en geschikt waren voor houtproductie. De bomen werden in rechte rijen geplant en waren meestal ongeveer even oud. Dat leverde overzichtelijke bossen op, maar ook bossen met een vrij eenzijdige samenstelling.
Tegenwoordig ligt de nadruk bij het bosbeheer steeds meer op het ontwikkelen van gevarieerde, veerkrachtige bossen.



